Overleving gaat via het emotionele brein – hardnekkige shit

Leestijd: 9 minuten

Op dit moment ben ik bezig met het oplossen van mijn oude pijnen en de daarmee samenhangende afweermechanismen. Hierbij gebruik ik de Past Reality Integration-methode (kortweg: PRI) van Ingeborg Bosch. Ik vind dat ze in haar boeken duidelijk beschrijft welke vijf afweermechanismen het ego gebruikt – die ik overigens allemaal herken, en mij daarnaast van praktische en concrete middelen voorziet om mijn oude pijnen op te lossen. Al moet ik eerlijk bekennen dat ik de eerste resultaten nog moet boeken 🙂

Natuurlijk is het oplossen van mijn oude pijnen niet het enige waar ik mee bezig ben. Ik wil ook alle afweermechanismen ontmantelen én loslaten, door ze volledig te doorzien voor wat ze zijn: illusies. Laat ik beginnen met het beschrijven van haar basistheorie uit het boek ‘PRI en de kunst van bewust leven’ (blz. 35 t/m 51), die ik vervolgens via zelfonderzoek ga onderzoeken op waarheid. Eens kijken waar ik dan op uitkom.

De basistheorie van PRI

Ingeborg Bosch maakt onderscheid tussen het volwassen-bewustzijn, het kind-bewustzijn en de muur van ontkenning die tussen deze twee in staat. Samen vormen ze het bewustzijn.

In mijn volwassen-bewustzijn ervaar ik het heden zoals het is. Dat betekent dat ik weet dat ik een onafhankelijke volwassene ben, die in staat is om in mijn basisbehoeften te voorzien. Ik weet dat niets eeuwig duurt en dat ik altijd een keuze heb.

Als ik vanuit mijn kind-bewustzijn leef, ervaar ik precies het tegenovergestelde. Vanuit dit perspectief heb ik volgens Ingeborg Bosch juist het gevoel dat ik afhankelijk ben van andere mensen om mijn basisbehoeften te vervullen. Daarnaast heb ik het gevoel dat situaties ‘altijd zo zullen zijn’, ‘dat ik daar absoluut niets aan kan doen’ en ‘dat ik geen andere keus heb dan in de vervelende en soms destructieve situatie te blijven zitten en mij daar maar bij neer te leggen’.

De verpletterende waarheid

Ingeborg Bosch zegt vervolgens dat een kind de verpletterende waarheid – die zelfs levensbedreigend is – dat zijn behoeften in onvoldoende mate worden vervuld niet kan hanteren. Een kind zal daarom kiezen voor verdringing en ontkenning van deze waarheid. Alle momenten waarop niet aan de behoeften van het jonge en afhankelijke kind dat ik was werd voldaan, zijn opgeslagen in mijn kind-bewustzijn, omdat ik niet in staat was de situaties waarin mijn ouders niet aan mijn basisbehoeften voldeden zelf te verwerken – dat wil zeggen onder ogen te zien, en er was ook niemand om mij te helpen dat te doen.

Ze zegt vervolgens dat ik door de waarheid eerst te verdringen en daarna te ontkennen, de bedreigende ervaring van het volslagen hulpeloos en afhankelijk zijn en niet krijgen wat ik nodig heb, uit mijn bewustzijn kan bannen. Volgens Ingeborg Bosch vormen mijn verdringing en ontkenning samen een dikke muur (derde deel) tussen de twee andere delen van mijn bewustzijn: volwassen-bewustzijn en kind-bewustzijn.

Gedateerde en destructieve afweermechanismen

Ingeborg Bosch legt verder uit dat in mijn huidige leven mijn afweermechanismen nog steeds geactiveerd kunnen worden. In dat geval wordt een gebeurtenis uit het heden door mijn emotionele brein – welke bestaat uit de thalamus, het limbische systeem, de amygdala en de hippocampus – waargenomen als een potentieel gevaar dat ik tegen elke prijs moet afwenden. Hiervoor heb ik vijf verschillende afweermechanismen volgens haar tot mijn beschikking die ik als kind nodig had om de verpletterende waarheid – dat niet aan mijn basisbehoeften werd voldaan – buiten mijn bewustzijn te houden. Als volwassene heb ik deze afweermechanismen natuurlijk niet meer nodig.

Ingeborg Bosch noemt de vijf verschillende afweermechanismen (illusies) tezamen een gezond psychisch immuunsysteem, omdat ze voorkomen dat ik mij volledig bewust wordt van emotioneel traumatische gebeurtenissen door ze achter de muur van afweer in het kind-bewustzijn op te slaan. De volgende definities van de vijf verschillende afweermechanismen zijn afkomstig uit de verklarende woordenlijst (blz. 194-199).

Angst
‘Ik kan nog ontsnappen…’ – Angst is het afweermechanisme dat de illusie creëert dat we nog kunnen vluchten. De waarheid is dat we als kind niet konden vluchten. Wanneer er geen reëel fysiek gevaar is, is angst een teken dat oude pijn wordt afgeweerd.
Primaire afweer (PA)
‘Ik ben slecht, ik ben schuldig, het is allemaal te veel.’ – Deze vorm van afweer ontkent de waarheid door ons te doen geloven dat we het niet verdienen onze behoeften vervuld te krijgen. We voelen ons slecht, schuldig, waardeloos, incapabel, enz. Door deze fixatie op onze tekortkomingen zien we niet wat er echt met ons is gebeurd, nóch wie ons dat heeft aangedaan. In plaats van de oude, pijnlijke realiteit onder ogen te zien, voelen we ons in de huidige realiteit slecht over onszelf en overbelast en denken we dat onze pijn door ons eigen toedoen is ontstaan.
Valse hoop (VH)
‘Ik krijg wat ik nodg heb als ik maar…’ – Deze vorm van afweer (manier om de oude waarheid te ontkennen) wordt gekenmerkt door de gedachte dat het wél mogelijk is oude behoeften vervuld te krijgen als we iets maar wel of juist niet doen. Deze afweer is te herkennen aan aanhoudende pogingen iets tot stand te brengen, wat uiteindelijk nooit lukt, zeker niet blijvend. In plaats van de oude, pijnlijke realiteit onder ogen te zien, blijven we in de realiteit van nu hoop koesteren.
Valse macht (VM)
‘Met mij is niets aan de hand, maar met jou des te meer. Als jij maar zou veranderen, dan zou er geen probleem zijn.’ – Deze vorm van afweer ontkent de waarheid door ons te doen geloven dat de ander in het heden schuldig is aan onze onprettige gevoelens, ons onbehagen, onze onvervulde behoeften. Kenmerkend voor valse macht is agressief of intimiderend gedrag. In plaats van de oude, pijnlijke realiteit te voelen, voelen we ons in boze ‘onschuld’ verheven boven de ‘schuldige’ ander, die dan ook moet veranderen.
Ontkenning van behoeften (OvB)
‘Ik heb geen probleem.’ – Kenmerkend voor deze vorm van afweer is dat we ontkennen dat we iets nodig hebben, dat we onbehagen voelen. OvB kenmerkt zich door gedrag dat gericht is op het vermijden van moeilijkheden en conflicten. In plaats van de oude, pijnlijke realiteit te voelen, hebben we het idee dat er niets aan de hand is en dat we geen problemen hebben.

Samen ontwikkelen angst, primaire afweer, valse hoop en valse macht en uiteindelijk ontkenning van behoeften zich tot een stevige muur die de oude pijn weghoudt uit mijn bewustzijn.

Het verleden beleven

Ingeborg Bosch geeft in haar boek ‘PRI en de kunst van bewust leven’ concrete middelen om het verleden te beleven en daarmee het emotionele brein te herprogrammeren. Dit vind ik erg sterk van haar PRI-methode. De reden waarom ik dit zou moeten doen volgens haar is omdat alles wat ik meemaak in het heden als symbool kan fungeren en een of meer van mijn afweermechanismen (illusies) kan activeren. Iets wordt een symbool wanneer het gelijkenis vertoont, hoe klein ook maar wel heel exact, met een gebeurtenis die ooit bedreigend was. Volgens Ingeborg Bosch zijn deze gebeurtenissen – omdat ze niet goed verwerkt konden worden – in mijn emotionele brein opgeslagen in plaats van het langetermijngeheugen, ook wel de prefrontale cortex (PFC) genoemd.

Ingeborg Bosch eindigt haar basistheorie met dat ik als volwassene deze bescherming in de vorm van de verschillende afweermechanismen niet meer nodig heb. De veronderstelde dreiging is immers geen werkelijke dreiging meer, maar mijn emotionele brein maakt om mij tegen mogelijk gevaar te beschermen geen onderscheid tussen toen en nu. Wanneer het in het heden een overeenkomst met een verdrongen gebeurtenis uit het verleden registreert, activeert het emotionele brein mijn afweermechanisme(n) en zit ik met de gevolgen: ik word boos, gestrest, angstig, of ik voel juist weinig, of ik denk dat ik niet deug. En dat allemaal omdat mijn emotionele brein een overhaaste – zonder tussenkomst van het rationele brein – conclusie heeft getrokken.

Wat is de aard van het overlevingsmechanisme?

Bovenstaande is een flinke lap tekst om de basistheorie uit te leggen over hoe het emotionele brein altijd probeert mijn overleving te garanderen, maar wat in mijn huidige leven dus altijd destructief werkt. Maar was dat als kind eigenlijk ook al niet zo? Wat ligt er aan het overlevingsmechanisme ten grondslag? Klopt het wat Ingeborg Bosch allemaal beweert? Kortom, wat is de aard van het overlevingsmechanisme? En wat wil er precies overleven?

Het doel van dit onderzoek is niet bewijzen dat bijvoorbeeld kinderen onafhankelijk zijn en in staat zijn in hun eigen basisbehoeften te voorzien en altijd een keuze hebben. Ik wil ook niet mijn oude pijnen weg rationaliseren. Ik ben puur en alleen geïnteresseerd in de aard van het overlevingsmechanisme en waarom het zo werkt.  Laat ik eens een paar aannames van Ingeborg Bosch onderzoeken.

 “Het besef dat de mensen van wie we volledig afhankelijk zijn voor onze dagelijkse behoeften – per definitie – niet in staat zijn om die behoeften te vervullen is gewoonweg te bedreigend voor een kind om onder ogen te zien.” – blz. 39

“Als wezenlijke behoeften onvervuld blijven, veroorzaakt dit enorme pijn. De pijn die wordt veroorzaakt wanneer basale fysieke en emotionele behoeften van het kind onvervuld blijven, noemen we ‘oude pijn’. Voor het kind is deze pijn te groot om toe te laten. Daarom moet het de waarheid verdringen om te kunnen overleven. Oude pijn slaat dus alleen op pijn uit de kindertijd die verdrongen is. De verzameling van alle oude pijn (en de daaraan gekoppelde oude behoeften en oude realiteit heet het kind-bewustzijn.” – blz. 197

Ingeborg Bosch zegt dat ik als kind de verpletterende waarheid dat mijn basisbehoeften in onvoldoende mate werden vervuld niet kon hanteren. Daarom nam ik mijn toevlucht tot verdringing en ontkenning van deze waarheid, omdat ik als afhankelijk kind niet in staat was situaties waarin mijn ouders niet aan mijn basisbehoeften voldeden zelf te verwerken – dat wil zeggen onder ogen te zien, en er was ook niemand om mij te helpen om dat te doen.

De waarheid verdringen en vervolgens ontkennen → de bedreigende ervaring van het volslagen hulpeloos en afhankelijk zijn en niet krijgen wat ik nodig heb, uit mijn bewustzijn bannen.

Verdringing

  • Pijn te groot om toe te laten.
  • Levensbedreigende realiteit = dat mijn behoeften nooit vervuld zullen worden = betekenis.
  • Ben ik als kind niet bewust van → ik weet niet wat ik hebt verdrongen.

Om deze redenen heb ik volgens Ingeborg Bosch de waarheid verdrongen om te kunnen overleven, maar is dat werkelijk zo?

Ontkenning

  • Een nieuwe ‘realiteit’ ontkent wat werkelijk waar is en helpt mij zo de verdringing van deze waarheid zeker te stellen.
  • Afweer werkt dus via ontkenning van de waarheid met behulp van het creëren van een of meer illusies.
  • Vijf afweermechanismen zijn vijf vormen van ontkenning van de waarheid → dus vijf verschillende illusies.

Ingeborg Bosch beweert dat ik als kind de waarheid moest verdringen om te kunnen overleven. Dit veronderstelt dat als ik de waarheid niet zou hebben verdrongen (uitgaande dat ik als kind hiervoor had kunnen kiezen), dat ik dan in levensgevaar kwam of zelfs dood kon gaan. En dat is maar de vraag…

De onvermijdelijke conclusie is dat ik in die levensbedreigende situatie waarin ik volslagen hulpeloos en afhankelijk was wel heb gekregen wat ik nodig had. Ik leef immers nog! Dus of ik de verpletterende waarheid nu wel of niet had verdrongen, ik kreeg dus blijkbaar wel in voldoende mate wat ik nodig had, alleen was mijn beleving als kind dus anders.

De reden dat ik als kind de verpletterende waarheid verdrong omdat ik in een schijnbaar levensbedreigende situatie zat waarin in onvoldoende mate mijn basisbehoeften werden vervuld is dus een illusie. Het klopt gewoon niet. De bestempeling, verbanden en conclusies die ik als kind trok kloppen niet.

Maar wat is er dan wel aan de hand?

Ik kan mij voorstellen dat als de basisbehoeften van een kind in onvoldoende mate worden vervuld, dat dat veel pijn kan doen bij een kind. In die mate dat je er onbewust voor kiest om de pijn te verdringen en vervolgens te ontkennen. Dit zou een reden kunnen zijn voor de verdringing en ontkenning: het niet willen voelen van hevige pijn.

Een andere optie zou kunnen zijn dat je als kind de status quo wilt handhaven. Dus je basisbehoeften worden niet in volledige mate vervuld, maar genoeg om in de situatie te blijven. Immers, ondanks dat je afhankelijk bent kun je er in theorie voor kiezen om a) het tegen je beste vriendje of zijn ouders te zeggen, of b) weg te rennen, of c) gewoon meer weerstand te bieden aan je ouders, of d) (meer) te huilen of te schreeuwen als je je behoeften vervuld wilt hebben. Alleen zijn dit wel allemaal opties die de dan huidige situatie in gevaar zouden kunnen brengen, omdat je als kind het onbekende tegemoet treedt. En het onbekende is altijd bevriend met angst. Ergens anders voor kiezen als kind zou goed of zelfs beter kunnen uitpakken wat betreft de vervulling van je basisbehoeften, maar je situatie zou ook kunnen verslechteren. Dat weet je natuurlijk niet op voorhand en is ook afhankelijk van hoe ‘slecht’ je oorspronkelijke situatie is waarin je als kind zit. En daarmee breng je wellicht echt je leven in gevaar voor je gevoel.

Dus als kind kies je liever voor de zekerheid van de ‘slechte’ situatie waarin je zit, waarbij je noodgedwongen ervaringen moet verdringen en ontkennen, dan alles op het spel te zetten door het onbekende tegemoet te treden met wellicht de fysieke dood als gevolg.

De verdringing en ontkenning zijn dus geen direct gevolg van de situatie waarin je als kind zit, maar het indirecte gevolg dat je moet kiezen tussen twee kwaden: het ‘slechte’ bekende versus het volledige onbekende inclusief een mogelijke fysieke dood. Om de status quo te handhaven kies je als kind voor het ‘slechte’ bekende inclusief de pijn van de onvervulde behoeften, en daarmee creëer je en kies je voor je eigen desastreuze pad, die je verbloemt met verschillende illusies.

Het ego van het kind

In wezen gaat dit zelfonderzoek niet over het kind, maar over het ego van het kind. Het ego doet alles om te overleven en heeft altijd de voorkeur voor het bekende boven het onbekende en verandering. Het ego wil het liefst dat alles altijd hetzelfde blijft en maakt geen onderscheid in positieve of negatieve ervaringen. Het ego wil blijven bestaan, en de enige mogelijkheid die het daartoe heeft is via de illusie van controle. Wat hier uiteindelijk aan ten grondslag ligt is de angst voor de dood. Deze moet koste wat het kost en te allen tijde ontkent worden. Het maakt niet uit op welke manier, zolang deze maar buiten het bewustzijn blijft. En kiezen voor jezelf en je over geven aan jezelf is in feite niets anders dan kiezen voor de dood – egodood wel te verstaan 😉

Conclusie: de verdringing en ontkenning bij een kind zijn niet het resultaat van een schijnbaar levensbedreigende situatie waarin er in onvoldoende mate in zijn basisbehoeften wordt voorzien. Nee, verdringing en ontkenning treden op omdat het kind kiest om in de situatie te blijven zitten en de status quo moet handhaven. Omdat het alternatief van het onbekende tegemoet treden het kind doodsangst inboezemt. En dat moet te allen tijde ontkent worden via de illusie van controle, verdringing en ontkenning en de vijf afweermechanismen (illusies) die daar weer bovenop zitten.

De angst voor de dood is er altijd al geweest, als baby, als kind en nu als volwassene. En feitelijk kan ik nooit weten of ik als kind beter af was geweest als ik het onbekende – met mogelijke fysieke dood als gevolg – tegemoet was getreden, misschien wel, misschien niet. Maar ik had wel onvoorwaardelijk voor mijzelf gekozen en een mijzelf een hoop ellende bespaard later in mijn leven!

De aard van het overlevingsmechanisme is dus niets anders dan het ego dat schijnzekerheid en schijnveiligheid ontleent aan situaties en omstandigheden via de illusie van controle, verdringing en ontkenning en de vijf afweermechanismen (illusies) → het fucking ego at work. ~ lzv