Het succespercentage van een spirituele leraar

Leestijd: 2 minuten

“Denk je niet dat het redelijk is om te vragen wat het succespercentage van een leraar is? Het werkt, of het werkt niet, toch? Heb je niet geïnformeerd naar het resultaat van hun leringen toen je je bij die club aansloot?”

“Maar, dat is niet…”

“Vind je dat niet redelijk om te vragen? Ze zitten toch in de verlichtingsbusiness? Of heb ik je verkeerd begrepen? Hebben ze soms iets anders waarmee ze hun centen verdienen?”

“Nee, maar ze…”

“Als een consumentenblad een reportage zou publiceren over welke spirituele organisaties hun beloften waarmaken, denk je dan niet dat het eerste gegeven van iedere organisatie het percentage succesgevallen zou zijn? Bijvoorbeeld: hier zijn honderd willekeurig geselecteerde mensen die vijf jaar geleden bij deze organisatie begonnen zijn, en dit is waar ze nu zijn aanbeland. Bijvoorbeeld: eenendertig personen zijn in de organisatie omhoog geklommen, zevenentwintig zijn er weggegaan, negenendertig zijn nog steeds lid, maar doen er niet veel meer aan, en drie hebben een staat van permanent non-dualistisch bewustzijn bereikt. Oké, drie procent, dat is tenminste een cijfer waarmee je kunt vergelijken. Maar die organisatie van jou zou wel eens een enorme, vette nul kunnen hebben, denk je ook niet? En niet op een aantal van slechts honderd, maar op honderdduizenden, miljoenen, waarschijnlijk. Zie ik dat verkeerd?”

“Zoals jij het zegt, klinkt het alsof…”

“Dat weet ik Martin, en ik weet ook hoe ze op dit punt zullen reageren. Ze zeggen dat ze samen, allemaal, het doel zullen bereiken, hè? Ze beweren dat iedereen tegelijkertijd zal doorbreken wanneer er een zekere kritische massa is bereikt, zo is het toch?”

“Nou, zo ongeveer ja, maar bij jou klinkt het alsof…”

“Waarom denk je dat jouw groep na dertig jaar nog niet tot aan haar strot in de verlichte mensen zit? Ik zou denken dat ze daar inmiddels niet meer weten waar ze ze moeten laten. Ik zou ook denken dat zo langzamerhand de hele wereld zich een weg naar hen roe zou weten te banen. Hoeveel tijd hebben ze nog nodig?”

“Maar daar draait het niet…”

“Jawel, Martin, daar draait het wél om. Dat is het hem juist. Als het daar niet om draait, waar draait het dan wél om? Hoe is het mogelijk dat na dertig jaar het enige geval van verlichting degene betreft die ermee begonnen is? Ik weet dat hij heel wat voorstelt, Martin. Ik ken zijn leringen. Ik weet waar die vent voor staat. Ik ben het ermee eens dat hij op een heel hoog plan staat, wat dat dan ook mag betekenen. Als ik in zijn aanwezigheid mocht komen, dan zou ik op mijn knieën vallen en zijn in lotushouding gedraaide voeten aanraken. Hij is geweldig, ik weet het, maar we hebben het hier niet over iemand anders: we hebben het over jou. We hebben het erover hoe je… wat ook al weer? Hoe noemde je dat? Je je kunt bevrijden uit je gebondenheid? Ik zie niemand in de organisatie van die vent die zich aan het bevrijden is uit zijn gebondenheid, Martin. Jij wel?”

Ik wacht. Stilte.

“Zou je mij kunnen zeggen of je enig idee hebt waaraan dat zou kunnen liggen?”

Martin zwijgt. Hij ligt duidelijk flink met zichzelf overhoop. Hij kijkt naar me om te zien wat er nog meer komt.

“Martin, ik vind dat je de mogelijkheid zou moeten overwegen dat er iets goed fout zit met die organisatie. Iets heel wezenlijks. Vind je het onredelijk van me dat ik dit zeg?”

Geen reactie.

“Vind je het niet op zijn minst redelijk die vraag te stellen? Om op zijn minst de mogelijkheid te overwegen?”

Uit: ‘Spirituele Verlichting? Vergeet het maar!’ ~ een dialoog tussen Jed McKenna en Martin.

~ lzv