Ik ben minderwaardig, dus ik moet perfect zijn (om te krijgen wat ik denk nodig te hebben)

Leestijd: 4 minuten

12:30 – De afgelopen week heb ik veel tijd besteed aan het onderzoeken van mijn perfectionisme en wat eraan ten grondslag ligt. Iedereen is het er op Internet wel over eens dat perfectie en foutloosheid niet bestaan, maar hoe dit overlevingsmechanisme werkelijk te doorzien en los te laten, daar kan geeft niemand een fatsoenlijk antwoord op. Dat kan ook niet, want het ‘probleem’ zit in mij en de uitdrukking van ‘perfect willen zijn’ heeft voor mij een specifieke reden en betekenis die ik zal moeten doorzien en loslaten.

Van nauwkeurig en precies naar foutloos en perfect

Als kind was ik al nauwkeurig en precies zonder dat ik gehecht was aan mijn gedrag of belang hechtte aan het eindresultaat. Ik vond het gewoon fijn om nauwkeurig en precies te werken, dat was alles. Mijn nauwkeurigheid en precisie heb ik in mijn middelbareschool- en studententijd onbewust doorontwikkeld tot perfectionisme, waar ik tot op de dag van vandaag nog steeds ontzettend last van heb.

Ik ben mij al jaren bewust van mijn perfectionisme, maar ik ben nog niet in staat geweest het gedachte- en gedragspatroon fundamenteel te veranderen. Het is een diep verankerd overlevingspatroon dat een belangrijk onderdeel uitmaakt van mijn identiteit en zelfbeeld: ik ben perfect en ik doe alles foutloos. In mijn uitwerking van afgelopen week ben ik tot de conclusie gekomen dat ik ontzettend veel dingen foutloos probeer te doen of de kans op fouten probeer te minimaliseren door het eindresultaat meerdere keren op fouten te controleren – anticiperen op toekomstige scenario’s waarin ik alsnog word geconfronteerd met mijn ‘fouten’.

‘Perfect’ proberen te zijn is een ultieme wanhoopspoging om ‘er te mogen zijn’

Perfectie en foutloosheid zijn volledig subjectief en de voorwaarden en vereisten waaraan ‘iets’ moet voldoen kunnen van dag tot dag of van minuut tot minuut verschillen. Hoe ik nu tegen een eindresultaat aankijk is een momentopname, wat hiernu de bestempeling ‘perfect’ krijgt op basis van de hiernu geldende voorwaarden en vereisten van mij (lees: het ego).

‘Perfect’ proberen te zijn én te gedragen is een ultieme wanhoopspoging van mij om (alsnog) de waardering, goedkeuring, bevestiging, aandacht, erkenning en ‘liefde’ te krijgen die ik denk nodig te hebben om ‘er te mogen zijn’, om te mogen bestaan en om te mogen leven. Ik geloof ten diepste dat wie ik werkelijk ben, hoe ik mij werkelijk wil gedragen en wat er werkelijk uit mij wil komen niet goed (genoeg) is en dat er wat mis is met mij. Perfectionisme is een een uiting van het afweermechanisme ‘valse hoop’ om de structurele ‘fout’ die ik geloof te zijn te repareren, wat natuurlijk onmogelijk is.

Perfectionisme en minderwaardigheid gaan hand in hand. Ik (lees: het ego) heb de conclusie getrokken dat ik niet goed genoeg ben om van te houden en dat ik het niet waard ben om van te houden, omdat mijn vader niet (meer) naar mij omkeek toen ik een klein ventje was en mijn moeder mij minder liefde, warmte, genegenheid, intimiteit en lichamelijk contact gaf dan ik graag wilde. Ik had mij als kind ook meer en beter kunnen uitdrukken wat ik zelf graag wilde, maar om de één of andere reden koos ik ervoor om veel – zo niet alles – gelaten te accepteren. Ik geloofde dat ik geen andere keus had dan mij bij elke situatie neer te leggen. Opkomen voor mijzelf en vertrouwen op mijzelf had ik nog niet geleerd of had ik mijzelf inmiddels al afgeleerd. Ik weet het niet precies.

Waarom wil ik waardering, goedkeuring, bevestiging, etc. van anderen?

Ik heb zo’n vermoeden dat ik op vijfjarige leeftijd en de jaren erna bang was om – net zoals door mijn vader – ook door mijn moeder in de steek gelaten en verlaten te worden. Mijn vader keek, nadat mijn moeder met mijn zusje en ik bij hem zijn weggegaan, steeds minder naar mijn zusje en mij om en dat deed ontzettend veel pijn. De kans is groot dat mijn ego wilde voorkomen ook door mijn moeder achtergelaten te worden en dat ik mij daarom altijd zo heb aangepast en overal ja en amen op zei, zodat mijn moeder mij in ieder geval wel goedkeurde en waardeerde. Een ultieme wanhoopspoging van een kind om niet achter gelaten te worden met een mogelijke fysieke dood als gevolg. Dit lijkt mij geen onwaarschijnlijke gedachtegang van een vijf- of zesjarig kind 🙂

Een ander – misschien nog wel belangrijker – aspect van het zoeken naar waardering, goedkeuring, bevestiging, aandacht, erkenning en ‘liefde’, is het uit de weggaan van de confrontatie met mijn eigen angst om te falen en het verkeerd te doen, waarmee ik indirect ook de confrontatie met anderen uit de wegga. Feitelijk ben ik nog steeds bang voor de oordelen van anderen over wie ik werkelijk ben, hoe ik mij werkelijk wil gedragen en wat er werkelijk uit mij wil komen als ik de controle volledig loslaat. Ik geloof ten diepste dat er alleen maar ‘slechts’ uit mij kan komen, want ‘ik ben niet goed genoeg’ en ‘er is iets mis met mij’. Dit is natuurlijke een cirkelredenatie waarbij de angst voor ‘iets’ in stand wordt gehouden door het geloven van de overtuiging die eraan ten grondslag ligt en vice versa.

Ik blijf mijn angst om te falen vermijden

Ik ga nu verder met het onderzoeken en uitwerken van de weerstand tegen mijn angst om te falen en hoe ik deze in stand houd. Het lijkt een voor zichzelf sprekende term, maar ik blijf er halsstarrig aan vasthouden merk ik, of beter gezegd: ik blijf mijn angst om te falen vermijden. Ik weet in ieder geval zeker dat zolang ik de confrontatie met mijn angst om te falen niet aanga, ik anderen macht over mij blijf geven, ik afhankelijkheid blijf ervaren richting anderen en ik energie blijf stoppen in mijn afgescheiden identiteit van ‘ik ben perfect en foutloos’. Kortom, zolang ik de confrontatie met mijzelf blijf vermijden, blijf ik een gevangene van het ego en het denken én daarmee kwetsbaar voor oordelen van anderen. ~ lzv